لغت
یادگیری افعال – هلندی
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
آمدن
خوشحالم که آمدی!
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
کمک کردن
همه به نصب چادر کمک میکنند.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
پرتاب کردن به
آنها توپ را به یکدیگر پرت میکنند.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
وصل کردن
این پل دو محله را به هم وصل میکند.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
با هم زندگی کردن
این دو قرار است به زودی با هم زندگی کنند.
geloven
Veel mensen geloven in God.
باور کردن
بسیاری از مردم به خدا باور دارند.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
باعث شدن
شکر بسیاری از بیماریها را ایجاد میکند.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
چرخیدن
اتومبیلها در یک دایره میچرخند.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
اقامت یافتن
ما در یک هتل ارزان اقامت یافتیم.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
ایستادن
کوهنوردی روی قله ایستاده است.
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
رها کردن
آیا پناهندگان باید در مرزها رها شوند؟