Vocabulario

Aprender verbos – neerlandés

cms/verbs-webp/105854154.webp
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
limitar
Las vallas limitan nuestra libertad.
cms/verbs-webp/132305688.webp
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
desperdiciar
No se debe desperdiciar energía.
cms/verbs-webp/107996282.webp
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
referir
El profesor se refiere al ejemplo en la pizarra.
cms/verbs-webp/33463741.webp
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
abrir
¿Puedes abrir esta lata por favor?
cms/verbs-webp/73649332.webp
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
gritar
Si quieres que te escuchen, tienes que gritar tu mensaje en voz alta.
cms/verbs-webp/123546660.webp
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
revisar
El mecánico revisa las funciones del coche.
cms/verbs-webp/57248153.webp
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
mencionar
El jefe mencionó que lo despedirá.
cms/verbs-webp/132030267.webp
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
consumir
Ella consume un trozo de pastel.
cms/verbs-webp/107273862.webp
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
estar conectado
Todos los países de la Tierra están interconectados.
cms/verbs-webp/121102980.webp
meerijden
Mag ik met je meerijden?
acompañar
¿Puedo acompañarte?
cms/verbs-webp/119269664.webp
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
aprobar
Los estudiantes aprobaron el examen.
cms/verbs-webp/11579442.webp
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
lanzar a
Se lanzan la pelota el uno al otro.