Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
limitar
Las vallas limitan nuestra libertad.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
desperdiciar
No se debe desperdiciar energía.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
referir
El profesor se refiere al ejemplo en la pizarra.
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
abrir
¿Puedes abrir esta lata por favor?
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
gritar
Si quieres que te escuchen, tienes que gritar tu mensaje en voz alta.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
revisar
El mecánico revisa las funciones del coche.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
mencionar
El jefe mencionó que lo despedirá.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
consumir
Ella consume un trozo de pastel.
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
estar conectado
Todos los países de la Tierra están interconectados.
meerijden
Mag ik met je meerijden?
acompañar
¿Puedo acompañarte?
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
aprobar
Los estudiantes aprobaron el examen.