Vocabulario
Aprender adjetivos – neerlandés
haastig
de gehaaste kerstman
apurado
el Santa Claus apurado
tijdelijk
de tijdelijke parkeertijd
temporal
el tiempo de estacionamiento temporal
oneerlijk
de oneerlijke taakverdeling
injusto
la distribución injusta del trabajo
besneeuwd
besneeuwde bomen
nevado
árboles nevados
onvoorstelbaar
een onvoorstelbaar ongeluk
incomprensible
una tragedia incomprensible
uitgebreid
een uitgebreide maaltijd
extenso
una comida extensa
angstig
een angstige man
temeroso
un hombre temeroso
waakzaam
de waakzame herdershond
alerta
el perro pastor alerta
bruikbaar
bruikbare eieren
utilizable
huevos utilizables
fantastisch
een fantastisch verblijf
fantástico
una estancia fantástica
speels
het speelse leren
juguetón
el aprendizaje juguetón