Vortprovizo
Lernu Verbojn – nederlanda
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
forlasi
Multaj angloj volis forlasi la EU-on.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
diskuti
La kolegoj diskutas la problemon.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
rajdi
Infanoj ŝatas rajdi biciklojn aŭ trotineton.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
ordigi
Mi ankoraŭ havas multajn paperojn por ordigi.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
elspezi
Ni devas elspezi multe da mono por riparoj.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
taŭgi
La vojo ne taŭgas por biciklistoj.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
kovri
Ŝi kovris la panon per fromaĝo.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
pentri
Mi volas pentri mian apartamenton.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
rigardi
Ŝi rigardas malsupren en la valon.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
kunlokiĝi
La du planas kunlokiĝi baldaŭ.
beginnen
De soldaten beginnen.
komenci
La soldatoj komencas.