Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/84506870.webp
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
sich besaufen
Er besäuft sich fast jeden Abend.
cms/verbs-webp/20225657.webp
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
beanspruchen
Mein Enkelkind beansprucht mich sehr.
cms/verbs-webp/121670222.webp
volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
nachfolgen
Die Küken folgen ihrer Mutter immer nach.
cms/verbs-webp/26758664.webp
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
ersparen
Meine Kinder haben sich ihr Geld selbst erspart.
cms/verbs-webp/82095350.webp
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
schieben
Die Pflegerin schiebt den Patienten in einem Rollstuhl.
cms/verbs-webp/95543026.webp
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
teilnehmen
Er nimmt an dem Rennen teil.
cms/verbs-webp/117953809.webp
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
aushalten
Sie kann den Gesang nicht aushalten.
cms/verbs-webp/113966353.webp
serveren
De ober serveert het eten.
servieren
Der Kellner serviert das Essen.
cms/verbs-webp/100011426.webp
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
beeinflussen
Lass dich nicht von anderen beeinflussen!
cms/verbs-webp/47062117.webp
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
auskommen
Sie muss mit wenig Geld auskommen.
cms/verbs-webp/111792187.webp
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
auswählen
Er ist schwer, den Richtigen oder die Richtige auszuwählen.
cms/verbs-webp/118826642.webp
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
erklären
Opa erklärt dem Enkel die Welt.