Slovník
Naučte se příslovce – holandština
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
dost
Chce spát a má dost toho hluku.
in
De twee komen binnen.
dovnitř
Ti dva jdou dovnitř.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
trochu
Chci trochu více.
beneden
Hij ligt beneden op de vloer.
dolů
Leží dole na podlaze.
samen
We leren samen in een kleine groep.
společně
Učíme se společně v malé skupině.
bijna
De tank is bijna leeg.
téměř
Nádrž je téměř prázdná.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
ale
Dům je malý, ale romantický.
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
zítra
Nikdo neví, co bude zítra.
half
Het glas is half leeg.
napůl
Sklenice je napůl prázdná.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
dolů
Spadne dolů z výšky.
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
v
Jde dovnitř nebo ven?