词汇
学习动词 – 荷兰语
redden
De dokters konden zijn leven redden.
挽救
医生们成功地挽救了他的生命。
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
留开
谁把窗户留开,就邀请小偷进来!
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
让进
外面下雪了,我们让他们进来。
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
发言
政治家在许多学生面前发表演讲。
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
创建
谁创建了地球?
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
站立
登山者站在山峰上。
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
售清
这些商品正在被售清。
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
评论
他每天都在评论政治。
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
踢
小心,马会踢人!
stoppen
De agente stopt de auto.
停下
女警察让汽车停下。
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
盖住
孩子盖住了它的耳朵。