词汇
学习动词 – 荷兰语
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
告诉
我有重要的事情要告诉你。
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
出现
水中突然出现了一条巨大的鱼。
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
收到
他从老板那里收到了加薪。
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
结婚
未成年人不允许结婚。
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
离开
许多英国人想离开欧盟。
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
响
铃每天都响。
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
打开
你能帮我打开这个罐头吗?
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
描述
如何描述颜色?
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
回家
爸爸终于回家了!
zien
Je kunt beter zien met een bril.
看
你戴上眼镜能看得更清楚。
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
投票
选民们今天正在为他们的未来投票。