词汇
学习动词 – 荷兰语
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
搜索
窃贼正在搜索房子。
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
让进
人们永远不应该让陌生人进来。
verhuizen
De buurman verhuist.
搬出
邻居正在搬出。
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
清晰地看
通过我的新眼镜,我可以清晰地看到一切。
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
节制
我不能花太多钱;我需要节制。
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
回电话
请明天给我回电话。
leiden
Hij leidt graag een team.
领导
他喜欢领导一个团队。
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
需要去
我急需一个假期;我必须去!
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
进入
他进入酒店房间。
kussen
Hij kust de baby.
亲吻
他亲吻了婴儿。
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
相互联系
地球上的所有国家都相互联系。