Лексика

Вивчайте дієслова – нідерландська

cms/verbs-webp/115520617.webp
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
збивати
Велосипедиста збив автомобіль.
cms/verbs-webp/83776307.webp
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
переїжджати
Мій племінник переїжджає.
cms/verbs-webp/118232218.webp
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
захищати
Дітей потрібно захищати.
cms/verbs-webp/53064913.webp
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
закривати
Вона закриває штори.
cms/verbs-webp/130770778.webp
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
подорожувати
Йому подобається подорожувати і він бачив багато країн.
cms/verbs-webp/32685682.webp
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
усвідомлювати
Дитина усвідомлює сварку своїх батьків.
cms/verbs-webp/116932657.webp
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
отримувати
Він отримує гарну пенсію у старості.
cms/verbs-webp/90321809.webp
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
витрачати
Нам потрібно витратити багато грошей на ремонт.
cms/verbs-webp/117311654.webp
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
нести
Вони носять своїх дітей на спинах.
cms/verbs-webp/113885861.webp
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
інфікуватися
Вона інфікувалася вірусом.
cms/verbs-webp/92456427.webp
kopen
Ze willen een huis kopen.
купити
Вони хочуть купити будинок.
cms/verbs-webp/101158501.webp
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
дякувати
Він подякував їй квітами.