Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/27564235.webp
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
trabalhar em
Ele tem que trabalhar em todos esses arquivos.
cms/verbs-webp/117491447.webp
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
depender
Ele é cego e depende de ajuda externa.
cms/verbs-webp/118026524.webp
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
receber
Posso receber internet muito rápida.
cms/verbs-webp/121112097.webp
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
pintar
Eu pintei um lindo quadro para você!
cms/verbs-webp/129244598.webp
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
limitar
Durante uma dieta, é preciso limitar a ingestão de alimentos.
cms/verbs-webp/19584241.webp
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
dispor
Crianças só têm mesada à sua disposição.
cms/verbs-webp/108556805.webp
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
olhar para baixo
Eu pude olhar para a praia da janela.
cms/verbs-webp/113248427.webp
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
ganhar
Ele tenta ganhar no xadrez.
cms/verbs-webp/85677113.webp
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
usar
Ela usa produtos cosméticos diariamente.
cms/verbs-webp/55788145.webp
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
cobrir
A criança cobre seus ouvidos.
cms/verbs-webp/60111551.webp
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
tomar
Ela tem que tomar muitos medicamentos.
cms/verbs-webp/47225563.webp
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
acompanhar o raciocínio
Você tem que acompanhar o raciocínio em jogos de cartas.