Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/114231240.webp
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
mentir
Ele frequentemente mente quando quer vender algo.
cms/verbs-webp/120282615.webp
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
investir
Em que devemos investir nosso dinheiro?
cms/verbs-webp/55128549.webp
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
jogar
Ele joga a bola na cesta.
cms/verbs-webp/129300323.webp
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
tocar
O agricultor toca suas plantas.
cms/verbs-webp/105681554.webp
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
causar
O açúcar causa muitas doenças.
cms/verbs-webp/91442777.webp
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
pisar
Não posso pisar no chão com este pé.
cms/verbs-webp/108014576.webp
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
reencontrar
Eles finalmente se reencontram.
cms/verbs-webp/82378537.webp
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
descartar
Estes pneus de borracha velhos devem ser descartados separadamente.
cms/verbs-webp/100466065.webp
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
omitir
Você pode omitir o açúcar no chá.
cms/verbs-webp/80332176.webp
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
sublinhar
Ele sublinhou sua afirmação.
cms/verbs-webp/120686188.webp
studeren
De meisjes studeren graag samen.
estudar
As meninas gostam de estudar juntas.
cms/verbs-webp/102304863.webp
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
chutar
Cuidado, o cavalo pode chutar!