Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/130288167.webp
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
rense
Hun renser kjøkkenet.
cms/verbs-webp/77646042.webp
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
brenne
Du bør ikke brenne penger.
cms/verbs-webp/99592722.webp
vormen
We vormen samen een goed team.
danne
Vi danner et godt lag sammen.
cms/verbs-webp/100298227.webp
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
klemme
Han klemmer sin gamle far.
cms/verbs-webp/62069581.webp
sturen
Ik stuur je een brief.
sende
Jeg sender deg et brev.
cms/verbs-webp/119520659.webp
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
nevne
Hvor mange ganger må jeg nevne denne argumentasjonen?
cms/verbs-webp/114993311.webp
zien
Je kunt beter zien met een bril.
se
Du kan se bedre med briller.
cms/verbs-webp/35137215.webp
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
slå
Foreldre bør ikke slå barna sine.
cms/verbs-webp/91367368.webp
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
gå tur
Familien går tur på søndager.
cms/verbs-webp/100011426.webp
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
påvirke
La deg ikke påvirkes av andre!
cms/verbs-webp/31726420.webp
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
vende seg til
De vender seg til hverandre.
cms/verbs-webp/113842119.webp
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
passere
Middelalderen har passert.