어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
좋아하다
그녀는 야채보다 초콜릿을 더 좋아한다.
kijken
Ze kijkt door een gat.
보다
그녀는 구멍을 통해 보고 있다.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
익숙해지다
아이들은 치아를 닦는 것에 익숙해져야 한다.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
전부 팔다
상품이 전부 팔리고 있다.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
지다
아이들은 높은 탑을 지고 있다.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
줄이다
나는 반드시 난방 비용을 줄여야 한다.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
강조하다
화장으로 눈을 잘 강조할 수 있다.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
수입하다
우리는 여러 나라에서 과일을 수입한다.
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
연결되다
지구의 모든 나라들은 서로 연결되어 있다.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
설명하다
그녀는 그에게 그 기기가 어떻게 작동하는지 설명한다.
trainen
De hond wordt door haar getraind.
훈련시키다
개는 그녀에게 훈련시킨다.