単語

動詞を学ぶ – オランダ語

cms/verbs-webp/90287300.webp
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
鳴る
鐘が鳴っているのが聞こえますか?
cms/verbs-webp/102731114.webp
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
出版する
出版社は多くの本を出版しました。
cms/verbs-webp/120254624.webp
leiden
Hij leidt graag een team.
導く
彼はチームを導くことを楽しんでいます。
cms/verbs-webp/112286562.webp
werken
Ze werkt beter dan een man.
働く
彼女は男性よりも上手に働きます。
cms/verbs-webp/94796902.webp
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
道を見失う
戻る道が見つからない。
cms/verbs-webp/41918279.webp
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
逃げる
私たちの息子は家から逃げたがっていました。
cms/verbs-webp/108014576.webp
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
再会する
彼らはついに再び会います。
cms/verbs-webp/28993525.webp
meekomen
Kom nu mee!
一緒に来る
さあ、一緒に来て!
cms/verbs-webp/51573459.webp
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
強調する
メイクアップで目をよく強調することができます。
cms/verbs-webp/106665920.webp
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
感じる
母親は子供にたくさんの愛を感じます。
cms/verbs-webp/85968175.webp
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
損傷する
事故で2台の車が損傷しました。
cms/verbs-webp/100298227.webp
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
抱きしめる
彼は彼の年老いた父を抱きしめます。