verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
つながっている
地球上のすべての国々は相互につながっています。
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
拒否する
子供はその食べ物を拒否します。
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
議論する
同僚たちは問題を議論しています。
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
目を覚ます
目覚まし時計は彼女を午前10時に起こします。
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
焼ける
肉がグリルで焼けてしまってはいけません。
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
描写する
色をどのように描写できますか?
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
仕える
犬は飼い主に仕えるのが好きです。
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
拾い集める
リンゴを全部拾い集めなければなりません。
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
返す
教師は学生たちにエッセイを返します。
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
逃げる
私たちの息子は家から逃げたがっていました。
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
増加する
その企業は収益を増加させました。
vermijden
Hij moet noten vermijden.
避ける
彼はナッツを避ける必要があります。