vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
はまっている
はまっていて、出口が見つかりません。
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
ぶら下がる
二人とも枝にぶら下がっています。
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
受け取る
私は非常に高速なインターネットを受け取ることができます。
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
命じる
彼は自分の犬に命じます。
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
中に入れる
見知らぬ人を中に入れてはいけません。
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
唖然とさせる
驚きが彼女を唖然とさせる。
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
出荷する
彼女は今、手紙を出荷したいと思っています。
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
散歩する
家族は日曜日に散歩に出かけます。
stoppen
De agente stopt de auto.
止める
婦人警官が車を止めました。
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
投票する
一人は候補者に賛成または反対で投票します。
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
立つ
山の登山者は頂上に立っています。
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
殺す
気をつけて、その斧で誰かを殺してしまうかもしれません!