Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/34725682.webp
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
suggerire
La donna suggerisce qualcosa alla sua amica.
cms/verbs-webp/100965244.webp
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
guardare giù
Lei guarda giù nella valle.
cms/verbs-webp/125319888.webp
bedekken
Ze bedekt haar haar.
coprire
Lei copre i suoi capelli.
cms/verbs-webp/46565207.webp
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
preparare
Lei gli ha preparato una grande gioia.
cms/verbs-webp/102447745.webp
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
cancellare
Ha purtroppo cancellato l’incontro.
cms/verbs-webp/65915168.webp
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
frusciare
Le foglie frusciano sotto i miei piedi.
cms/verbs-webp/98977786.webp
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
nominare
Quanti paesi puoi nominare?
cms/verbs-webp/127620690.webp
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
tassare
Le aziende vengono tassate in vari modi.
cms/verbs-webp/120259827.webp
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
criticare
Il capo critica l’impiegato.
cms/verbs-webp/74916079.webp
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
arrivare
È arrivato giusto in tempo.
cms/verbs-webp/132305688.webp
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
sprecare
L’energia non dovrebbe essere sprecata.
cms/verbs-webp/117421852.webp
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
diventare amici
I due sono diventati amici.