Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/129203514.webp
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
chiacchierare
Chiacchiera spesso con il suo vicino.
cms/verbs-webp/99169546.webp
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
guardare
Tutti stanno guardando i loro telefoni.
cms/verbs-webp/120624757.webp
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
camminare
A lui piace camminare nel bosco.
cms/verbs-webp/90287300.webp
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
suonare
Senti la campana suonare?
cms/verbs-webp/49585460.webp
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
finire
Come siamo finiti in questa situazione?
cms/verbs-webp/66441956.webp
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
annotare
Devi annotare la password!
cms/verbs-webp/123367774.webp
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
ordinare
Ho ancora molti documenti da ordinare.
cms/verbs-webp/51119750.webp
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
orientarsi
So come orientarmi bene in un labirinto.
cms/verbs-webp/130814457.webp
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
aggiungere
Lei aggiunge un po’ di latte al caffè.
cms/verbs-webp/104849232.webp
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
partorire
Lei partorirà presto.
cms/verbs-webp/118011740.webp
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
costruire
I bambini stanno costruendo una torre alta.
cms/verbs-webp/84365550.webp
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
trasportare
Il camion trasporta le merci.