Vocabolario
Impara gli avverbi – Olandese
behoorlijk
Ze is behoorlijk slank.
abbastanza
Lei è abbastanza magra.
buiten
We eten vandaag buiten.
fuori
Oggi mangiamo fuori.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
un po‘
Voglio un po‘ di più.
daar
Het doel is daar.
là
La meta è là.
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
domani
Nessuno sa cosa sarà domani.
veel
Ik lees inderdaad veel.
molto
Leggo molto infatti.
alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
tutto
Qui puoi vedere tutte le bandiere del mondo.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
ma
La casa è piccola ma romantica.
net
Ze is net wakker geworden.
appena
Lei si è appena svegliata.
minstens
De kapper kostte minstens niet veel.
almeno
Il parrucchiere non è costato molto, almeno.
samen
We leren samen in een kleine groep.
insieme
Impariamo insieme in un piccolo gruppo.