אוצר מילים
למד פעלים – הולנדית
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
להסתכל
בחופשה, הסתכלתי על הרבה מצרות.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
נותן דבר
הפוליטיקאי נותן דבר בפני הרבה סטודנטים.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
מבקרת
חברה ישנה מבקרת אותה.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
לאהוב
היא אוהבת שוקולית יותר מירקות.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
מכסות
עלי הסופגנייה מכסות את המים.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
מצפה
אחותי מצפה לילד.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
גורם
האלכוהול יכול לגרום לכאבי ראש.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
לשכנע
היא לעיתים קרובות צריכה לשכנע את בתה לאכול.
kussen
Hij kust de baby.
נשק
הוא מנשק את התינוק.
horen
Ik kan je niet horen!
אני לא
אני לא שומע אותך!
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
להתגאות
הוא אוהב להתגאות בכספו.