Vocabulaire

Apprendre les adverbes – Néerlandais

cms/adverbs-webp/71670258.webp
gisteren
Het regende hard gisteren.
hier
Il a beaucoup plu hier.
cms/adverbs-webp/38720387.webp
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
en bas
Elle saute dans l‘eau en bas.
cms/adverbs-webp/178519196.webp
‘s morgens
Ik moet vroeg opstaan ‘s morgens.
le matin
Je dois me lever tôt le matin.
cms/adverbs-webp/71109632.webp
echt
Kan ik dat echt geloven?
vraiment
Puis-je vraiment croire cela ?
cms/adverbs-webp/54073755.webp
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
dessus
Il monte sur le toit et s‘assoit dessus.
cms/adverbs-webp/7769745.webp
opnieuw
Hij schrijft alles opnieuw.
encore
Il réécrit tout encore.
cms/adverbs-webp/102260216.webp
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
demain
Personne ne sait ce qui sera demain.
cms/adverbs-webp/178180190.webp
daar
Ga daarheen, vraag dan opnieuw.
là-bas
Va là-bas, puis pose à nouveau la question.
cms/adverbs-webp/178600973.webp
iets
Ik zie iets interessants!
quelque chose
Je vois quelque chose d‘intéressant!
cms/adverbs-webp/80929954.webp
meer
Oudere kinderen krijgen meer zakgeld.
plus
Les enfants plus âgés reçoivent plus d‘argent de poche.
cms/adverbs-webp/10272391.webp
al
Hij slaapt al.
déjà
Il est déjà endormi.
cms/adverbs-webp/135100113.webp
altijd
Hier was altijd een meer.
toujours
Il y avait toujours un lac ici.