Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés
voeden
De kinderen voeden het paard.
alimentar
Los niños alimentan al caballo.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
estudiar
Hay muchas mujeres estudiando en mi universidad.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cubrir
Los nenúfares cubren el agua.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
gustar
Al niño le gusta el nuevo juguete.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
responder
Ella siempre responde primero.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
perderse
Me perdí en el camino.
wassen
De moeder wast haar kind.
lavar
La madre lava a su hijo.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
criticar
El jefe critica al empleado.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
circular
Los coches circulan en círculo.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
caminar
A él le gusta caminar en el bosque.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
revisar
El dentista revisa los dientes.