Vocabulario

Aprender verbos – neerlandés

cms/verbs-webp/120515454.webp
voeden
De kinderen voeden het paard.
alimentar
Los niños alimentan al caballo.
cms/verbs-webp/85623875.webp
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
estudiar
Hay muchas mujeres estudiando en mi universidad.
cms/verbs-webp/114379513.webp
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cubrir
Los nenúfares cubren el agua.
cms/verbs-webp/21342345.webp
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
gustar
Al niño le gusta el nuevo juguete.
cms/verbs-webp/117890903.webp
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
responder
Ella siempre responde primero.
cms/verbs-webp/93221270.webp
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
perderse
Me perdí en el camino.
cms/verbs-webp/125385560.webp
wassen
De moeder wast haar kind.
lavar
La madre lava a su hijo.
cms/verbs-webp/120259827.webp
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
criticar
El jefe critica al empleado.
cms/verbs-webp/93697965.webp
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
circular
Los coches circulan en círculo.
cms/verbs-webp/120624757.webp
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
caminar
A él le gusta caminar en el bosque.
cms/verbs-webp/118549726.webp
controleren
De tandarts controleert de tanden.
revisar
El dentista revisa los dientes.
cms/verbs-webp/68841225.webp
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
entender
¡No puedo entenderte!