Vortprovizo
Lernu Verbojn – nederlanda
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
atendi
Infanoj ĉiam atendas negon.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
voli eliri
La infano volas eliri.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
ĵeti
Li ĵetas la pilkon en la korbon.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
infektiĝi
Ŝi infektiĝis per viruso.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
sendi
La varoj estos senditaj al mi en pakaĵo.
genieten
Ze geniet van het leven.
ĝui
Ŝi ĝuas la vivon.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
hejmveturi
Post aĉetado, la du hejmveturas.
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
okazi al
Ĉu io okazis al li en la labora akcidento?
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
babili
Li ofte babiletas kun sia najbaro.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
gustumi
La ĉefkuiristo gustumas la supon.
genoeg zijn
Dat is genoeg, je irriteert!
sufiĉi
Tio sufiĉas, vi ĝenas!