Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/44848458.webp
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
stoppe
Du skal stoppe ved det røde lys.
cms/verbs-webp/115113805.webp
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
chatte
De chatter med hinanden.
cms/verbs-webp/122079435.webp
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
øge
Virksomheden har øget sin omsætning.
cms/verbs-webp/121102980.webp
meerijden
Mag ik met je meerijden?
køre med
Må jeg køre med dig?
cms/verbs-webp/130814457.webp
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
tilføje
Hun tilføjer noget mælk til kaffen.
cms/verbs-webp/123519156.webp
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
tilbringe
Hun tilbringer al sin fritid udenfor.
cms/verbs-webp/5161747.webp
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
fjerne
Gravemaskinen fjerner jorden.
cms/verbs-webp/85860114.webp
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
gå videre
Du kan ikke gå videre herfra.
cms/verbs-webp/95543026.webp
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
deltage
Han deltager i løbet.
cms/verbs-webp/119747108.webp
eten
Wat willen we vandaag eten?
spise
Hvad vil vi spise i dag?
cms/verbs-webp/123546660.webp
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
tjekke
Mekanikeren tjekker bilens funktioner.
cms/verbs-webp/34979195.webp
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
komme sammen
Det er dejligt, når to mennesker kommer sammen.