Ordliste
Lær adverbier – Nederlandsk
misschien
Ze wil misschien in een ander land wonen.
måske
Hun vil måske bo i et andet land.
opnieuw
Ze ontmoetten elkaar opnieuw.
igen
De mødtes igen.
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
i
Går han ind eller ud?
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
nok
Hun vil sove og har fået nok af støjen.
daar
Ga daarheen, vraag dan opnieuw.
der
Gå derhen, og spørg derefter igen.
bijna
Ik raakte bijna!
næsten
Jeg ramte næsten!
veel
Ik lees inderdaad veel.
meget
Jeg læser faktisk meget.
nooit
Men moet nooit opgeven.
aldrig
Man skal aldrig give op.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
lidt
Jeg vil gerne have lidt mere.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
ned
Hun springer ned i vandet.
in
De twee komen binnen.
ind
De to kommer ind.