Ordliste

Lær adverbier – Nederlandsk

cms/adverbs-webp/145489181.webp
misschien
Ze wil misschien in een ander land wonen.
måske
Hun vil måske bo i et andet land.
cms/adverbs-webp/164633476.webp
opnieuw
Ze ontmoetten elkaar opnieuw.
igen
De mødtes igen.
cms/adverbs-webp/135007403.webp
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
i
Går han ind eller ud?
cms/adverbs-webp/162590515.webp
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
nok
Hun vil sove og har fået nok af støjen.
cms/adverbs-webp/178180190.webp
daar
Ga daarheen, vraag dan opnieuw.
der
Gå derhen, og spørg derefter igen.
cms/adverbs-webp/78163589.webp
bijna
Ik raakte bijna!
næsten
Jeg ramte næsten!
cms/adverbs-webp/77731267.webp
veel
Ik lees inderdaad veel.
meget
Jeg læser faktisk meget.
cms/adverbs-webp/142768107.webp
nooit
Men moet nooit opgeven.
aldrig
Man skal aldrig give op.
cms/adverbs-webp/22328185.webp
een beetje
Ik wil een beetje meer.
lidt
Jeg vil gerne have lidt mere.
cms/adverbs-webp/38720387.webp
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
ned
Hun springer ned i vandet.
cms/adverbs-webp/176235848.webp
in
De twee komen binnen.
ind
De to kommer ind.
cms/adverbs-webp/66918252.webp
minstens
De kapper kostte minstens niet veel.
i det mindste
Frisøren kostede i det mindste ikke meget.