Slovník
Naučte se slovesa – holandština
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
přinést
Rozvozce pizzy přiveze pizzu.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
zabít
Buďte opatrní, s tou sekerou můžete někoho zabít!
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
najmout
Uchazeč byl najat.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
odehnat
Jeden labuť odehání druhou.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
plavat
Pravidelně plave.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
dorazit
Letadlo dorazilo včas.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
začít
S manželstvím začíná nový život.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
odpovědět
Student odpovídá na otázku.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
pustit dovnitř
Venku sněžilo a my je pustili dovnitř.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
zvýšit
Populace se výrazně zvýšila.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
vytočit
Vzala telefon a vytočila číslo.