Slovník
Naučte se slovesa – holandština
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
poslouchat
Rád poslouchá bříško své těhotné ženy.
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
znamenat
Co znamená tento erb na podlaze?
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
odkazovat
Učitel odkazuje na příklad na tabuli.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
nechat stát
Dnes mnoho lidí musí nechat stát svá auta.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
mluvit s
S ním by měl někdo mluvit; je tak osamělý.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
plavat
Pravidelně plave.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
vyhodit
Šlápne na vyhozenou banánovou slupku.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
vybrat
Je těžké vybrat toho správného.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
pustit před
Nikdo ho nechce pustit před sebe u pokladny v supermarketu.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
chránit
Helma má chránit před nehodami.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
míchat
Můžete si smíchat zdravý salát se zeleninou.