Vocabulari

Aprèn verbs – neerlandès

cms/verbs-webp/127554899.webp
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
preferir
La nostra filla no llegeix llibres; ella prefereix el seu telèfon.
cms/verbs-webp/113418367.webp
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
decidir
Ella no pot decidir quines sabates posar-se.
cms/verbs-webp/33688289.webp
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
deixar entrar
Mai s’hauria de deixar entrar a estranys.
cms/verbs-webp/73488967.webp
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examinar
Les mostres de sang s’examinen en aquest laboratori.
cms/verbs-webp/90554206.webp
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
informar
Ella informa de l’escàndol a la seva amiga.
cms/verbs-webp/78773523.webp
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
augmentar
La població ha augmentat significativament.
cms/verbs-webp/115373990.webp
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
aparèixer
Un peix enorme va aparèixer de sobte a l’aigua.
cms/verbs-webp/34725682.webp
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
suggerir
La dona li suggereix alguna cosa a la seva amiga.
cms/verbs-webp/123170033.webp
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
declarar-se en fallida
L’empresa probablement es declararà en fallida aviat.
cms/verbs-webp/35071619.webp
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
passar per
Els dos passen l’un per l’altre.
cms/verbs-webp/89869215.webp
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
xutar
A ells els agrada xutar, però només en el futbolí.
cms/verbs-webp/49585460.webp
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
acabar
Com hem acabat en aquesta situació?