词汇
学习动词 – 荷兰语
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
触摸
农民触摸他的植物。
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
洗碗
我不喜欢洗碗。
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
回答
学生回答了问题。
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
适合
这条路不适合骑自行车。
controleren
De tandarts controleert de tanden.
检查
牙医检查牙齿。
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
支付
她用信用卡在线支付。
overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!
和好
结束你们的争斗,和好如初吧!
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
来
我很高兴你来了!
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
出版
出版商已经出版了很多书。
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
注意
人们必须注意交通标志。
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
处理
必须处理问题。