Лексика

Вивчайте дієслова – нідерландська

cms/verbs-webp/77646042.webp
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
палити
Гроші не слід палити.
cms/verbs-webp/90287300.webp
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
дзвонити
Ви чуєте дзвінок у дзвониці?
cms/verbs-webp/125088246.webp
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
імітувати
Дитина імітує літак.
cms/verbs-webp/92145325.webp
kijken
Ze kijkt door een gat.
дивитися
Вона дивиться через дірку.
cms/verbs-webp/20225657.webp
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
вимагати
Мій онук вимагає від мене багато.
cms/verbs-webp/60395424.webp
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
стрибати
Дитина радісно стрибає навколо.
cms/verbs-webp/75001292.webp
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
від‘їхати
Коли горіло світло, автомобілі від‘їхали.
cms/verbs-webp/122153910.webp
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
ділити
Вони ділять домашні справи між собою.
cms/verbs-webp/99392849.webp
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
видаляти
Як видалити пляму від червоного вина?
cms/verbs-webp/118596482.webp
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
шукати
Я шукаю гриби восени.
cms/verbs-webp/74916079.webp
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
прибувати
Він прибув саме вчасно.
cms/verbs-webp/123211541.webp
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
сніг
Сьогодні випало багато снігу.