Лексика

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/85010406.webp
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
перепрыгивать
Атлет должен перепрыгнуть препятствие.
cms/verbs-webp/63645950.webp
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
бежать
Она бежит каждое утро на пляже.
cms/verbs-webp/78309507.webp
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
вырезать
Фигурки нужно вырезать.
cms/verbs-webp/99169546.webp
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
смотреть
Все смотрят на свои телефоны.
cms/verbs-webp/8451970.webp
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
обсуждать
Коллеги обсуждают проблему.
cms/verbs-webp/108118259.webp
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
забыть
Она теперь забыла его имя.
cms/verbs-webp/95655547.webp
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
пустить вперед
Никто не хочет пустить его вперед у кассы в супермаркете.
cms/verbs-webp/35862456.webp
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
начинать
С браком начинается новая жизнь.
cms/verbs-webp/94153645.webp
huilen
Het kind huilt in het bad.
плакать
Ребенок плачет в ванной.
cms/verbs-webp/70055731.webp
vertrekken
De trein vertrekt.
уезжать
Поезд уезжает.
cms/verbs-webp/98294156.webp
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
торговать
Люди торгуют б/у мебелью.
cms/verbs-webp/110056418.webp
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
произносить речь
Политик произносит речь перед многими студентами.