Лексика

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/31726420.webp
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
обратиться
Они обращаются друг к другу.
cms/verbs-webp/106725666.webp
controleren
Hij controleert wie daar woont.
проверять
Он проверяет, кто там живет.
cms/verbs-webp/111892658.webp
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
доставлять
Он доставляет пиццу на дом.
cms/verbs-webp/103719050.webp
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
разрабатывать
Они разрабатывают новую стратегию.
cms/verbs-webp/125400489.webp
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
уходить
Туристы покидают пляж в полдень.
cms/verbs-webp/128782889.webp
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
поражаться
Она поразилась, получив новости.
cms/verbs-webp/112407953.webp
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
слушать
Она слушает и слышит звук.
cms/verbs-webp/119235815.webp
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
любить
Она действительно любит свою лошадь.
cms/verbs-webp/67955103.webp
eten
De kippen eten de granen.
есть
Куры едят зерно.
cms/verbs-webp/60625811.webp
vernietigen
De bestanden worden volledig vernietigd.
уничтожать
Файлы будут полностью уничтожены.
cms/verbs-webp/116835795.webp
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
прибывать
Многие люди прибывают на каникулы на автодомах.
cms/verbs-webp/74916079.webp
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
прибывать
Он прибыл как раз вовремя.