Лексика
Изучите глаголы – нидерландский
drukken
Hij drukt op de knop.
нажимать
Он нажимает кнопку.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
смотреть
Она смотрит через бинокль.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
торговать
Люди торгуют б/у мебелью.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
переехать
Велосипедиста сбила машина.
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
прощать
Она никогда не простит ему это!
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
благодарить
Большое вам спасибо за это!
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
вызывать
Слишком много людей быстро вызывает хаос.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
обыскивать
Грабитель обыскивает дом.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
потреблять
Она употребляет кусочек торта.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
записывать
Она хочет записать свою бизнес-идею.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
знакомиться
Она не знакома с электричеством.