Лексика

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/88597759.webp
drukken
Hij drukt op de knop.
нажимать
Он нажимает кнопку.
cms/verbs-webp/107852800.webp
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
смотреть
Она смотрит через бинокль.
cms/verbs-webp/98294156.webp
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
торговать
Люди торгуют б/у мебелью.
cms/verbs-webp/115520617.webp
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
переехать
Велосипедиста сбила машина.
cms/verbs-webp/120509602.webp
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
прощать
Она никогда не простит ему это!
cms/verbs-webp/12991232.webp
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
благодарить
Большое вам спасибо за это!
cms/verbs-webp/74908730.webp
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
вызывать
Слишком много людей быстро вызывает хаос.
cms/verbs-webp/101630613.webp
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
обыскивать
Грабитель обыскивает дом.
cms/verbs-webp/132030267.webp
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
потреблять
Она употребляет кусочек торта.
cms/verbs-webp/110775013.webp
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
записывать
Она хочет записать свою бизнес-идею.
cms/verbs-webp/40477981.webp
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
знакомиться
Она не знакома с электричеством.
cms/verbs-webp/46385710.webp
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
принимать
Здесь принимают кредитные карты.