Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/93150363.webp
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
acordar
Ele acabou de acordar.
cms/verbs-webp/103797145.webp
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
contratar
A empresa quer contratar mais pessoas.
cms/verbs-webp/20225657.webp
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
exigir
Meu neto exige muito de mim.
cms/verbs-webp/78773523.webp
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
aumentar
A população aumentou significativamente.
cms/verbs-webp/116358232.webp
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
acontecer
Algo ruim aconteceu.
cms/verbs-webp/122079435.webp
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
aumentar
A empresa aumentou sua receita.
cms/verbs-webp/91930309.webp
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
importar
Nós importamos frutas de muitos países.
cms/verbs-webp/74176286.webp
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
proteger
A mãe protege seu filho.
cms/verbs-webp/10206394.webp
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
suportar
Ela mal consegue suportar a dor!
cms/verbs-webp/41019722.webp
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
dirigir
Depois das compras, os dois dirigem para casa.
cms/verbs-webp/50772718.webp
annuleren
Het contract is geannuleerd.
cancelar
O contrato foi cancelado.
cms/verbs-webp/114379513.webp
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cobrir
Os lírios d‘água cobrem a água.