Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/132305688.webp
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
desperdiçar
A energia não deve ser desperdiçada.
cms/verbs-webp/33599908.webp
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
servir
Cães gostam de servir seus donos.
cms/verbs-webp/30793025.webp
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
ostentar
Ele gosta de ostentar seu dinheiro.
cms/verbs-webp/90032573.webp
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
saber
As crianças são muito curiosas e já sabem muito.
cms/verbs-webp/99207030.webp
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
chegar
O avião chegou no horário.
cms/verbs-webp/115373990.webp
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
aparecer
Um peixe enorme apareceu repentinamente na água.
cms/verbs-webp/118588204.webp
wachten
Ze wacht op de bus.
esperar
Ela está esperando pelo ônibus.
cms/verbs-webp/120686188.webp
studeren
De meisjes studeren graag samen.
estudar
As meninas gostam de estudar juntas.
cms/verbs-webp/25599797.webp
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
economizar
Você economiza dinheiro quando diminui a temperatura do ambiente.
cms/verbs-webp/106665920.webp
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
sentir
A mãe sente muito amor pelo seu filho.
cms/verbs-webp/79582356.webp
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
decifrar
Ele decifra as letras pequenas com uma lupa.
cms/verbs-webp/119269664.webp
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
passar
Os estudantes passaram no exame.