Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês
veranderen
Het licht veranderde in groen.
mudar
A luz mudou para verde.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
mencionar
O chefe mencionou que vai demiti-lo.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
juntar-se
Os dois estão planejando morar juntos em breve.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
servir
O chef está nos servindo pessoalmente hoje.
knippen
De kapper knipt haar haar.
cortar
O cabeleireiro corta o cabelo dela.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignorar
A criança ignora as palavras de sua mãe.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
desligar
Ela desliga o despertador.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
servir
Cães gostam de servir seus donos.
straffen
Ze strafte haar dochter.
punir
Ela puniu sua filha.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
ordenar
Ele gosta de ordenar seus selos.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
tornar-se
Eles se tornaram uma boa equipe.