Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
falar
Não se deve falar muito alto no cinema.
brengen
De bezorger brengt het eten.
trazer
O entregador está trazendo a comida.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
confiar
Todos nós confiamos uns nos outros.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
transportar
O caminhão transporta as mercadorias.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
cancelar
O voo está cancelado.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
sair
As crianças finalmente querem sair.
draaien
Je mag naar links draaien.
virar
Você pode virar à esquerda.
smaken
Dit smaakt echt goed!
provar
Isso prova muito bem!
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
causar
O álcool pode causar dores de cabeça.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
queimar
A carne não deve queimar na grelha.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
pintar
Eu pintei um lindo quadro para você!