Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
gostar
Ela gosta mais de chocolate do que de legumes.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
contar
Ela conta um segredo para ela.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
passar
Às vezes, o tempo passa devagar.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
avançar
Você não pode avançar mais a partir deste ponto.
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
abrir
Você pode abrir esta lata para mim, por favor?
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
agradecer
Ele agradeceu com flores.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
ficar para trás
O tempo de sua juventude fica muito atrás.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
ajudar
Todos ajudam a montar a tenda.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
completar
Eles completaram a tarefa difícil.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
deixar parado
Hoje muitos têm que deixar seus carros parados.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
brincar
A criança prefere brincar sozinha.