Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/94796902.webp
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
voltar
Não consigo encontrar o caminho de volta.
cms/verbs-webp/89025699.webp
dragen
De ezel draagt een zware last.
carregar
O burro carrega uma carga pesada.
cms/verbs-webp/101945694.webp
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
dormir até tarde
Eles querem, finalmente, dormir até tarde por uma noite.
cms/verbs-webp/129203514.webp
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
conversar
Ele frequentemente conversa com seu vizinho.
cms/verbs-webp/74908730.webp
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
causar
Muitas pessoas rapidamente causam caos.
cms/verbs-webp/112755134.webp
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
ligar
Ela só pode ligar durante o intervalo do almoço.
cms/verbs-webp/21342345.webp
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
gostar
A criança gosta do novo brinquedo.
cms/verbs-webp/34725682.webp
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
sugerir
A mulher sugere algo para sua amiga.
cms/verbs-webp/60111551.webp
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
tomar
Ela tem que tomar muitos medicamentos.
cms/verbs-webp/122479015.webp
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
cortar
O tecido está sendo cortado no tamanho certo.
cms/verbs-webp/90032573.webp
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
saber
As crianças são muito curiosas e já sabem muito.
cms/verbs-webp/115172580.webp
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
provar
Ele quer provar uma fórmula matemática.