単語
動詞を学ぶ – オランダ語
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
引き起こす
アルコールは頭痛を引き起こすことができます。
vertrekken
De trein vertrekt.
出発する
その電車は出発します。
samenwerken
We werken samen als een team.
協力する
私たちはチームとして協力して働きます。
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
押す
車が止まり、押す必要がありました。
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
処分する
これらの古いゴムタイヤは別々に処分する必要があります。
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
さらさらと音を立てる
足元の葉がさらさらと音を立てます。
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
動く
たくさん動くのは健康に良いです。
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
休みの証明を取る
彼は医者から休みの証明を取らなければなりません。
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
更新する
今日、知識を常に更新する必要があります。
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
練習する
彼は毎日スケートボードで練習します。
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
受け入れる
それは変えられない、受け入れなければならない。