単語
動詞を学ぶ – オランダ語
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
出発する
その船は港から出発します。
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
一緒に住む
二人は近いうちに一緒に住む予定です。
terugkomen
De boemerang kwam terug.
戻る
ブーメランが戻ってきました。
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
必要がある
タイヤを変えるためにジャッキが必要です。
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
思考に加える
カードゲームでは思考に加える必要があります。
wassen
De moeder wast haar kind.
洗う
母は彼女の子供を洗います。
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
説明する
彼女は彼にそのデバイスの使い方を説明します。
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
外に出たい
子供は外に出たがっています。
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
招待する
私たちはあなたを大晦日のパーティーに招待します。
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
殺す
気をつけて、その斧で誰かを殺してしまうかもしれません!
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
取っておく
毎月後のためにお金を取っておきたいです。