elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
互いに見る
彼らは長い間互いを見つめ合った。
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
道に迷う
私は途中で道に迷いました。
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
歩く
この道を歩いてはいけません。
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
書き留める
彼女は彼女のビジネスアイディアを書き留めたいです。
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
加える
彼女はコーヒーに少しミルクを加える。
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
発見する
船乗りたちは新しい土地を発見しました。
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
要求する
彼は事故を起こした人から賠償を要求しました。
luisteren
Hij luistert naar haar.
聞く
彼は彼女の話を聞いています。
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
解雇する
上司が彼を解雇しました。
worden
Ze zijn een goed team geworden.
なる
彼らは良いチームになりました。
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
チャットする
彼らはお互いにチャットします。
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
盲目になる
バッジを持った男性は盲目になりました。