Sõnavara

Õppige tegusõnu – hollandi

cms/verbs-webp/11579442.webp
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
viskama
Nad viskavad teineteisele palli.
cms/verbs-webp/99207030.webp
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
saabuma
Lennuk on õigeaegselt saabunud.
cms/verbs-webp/75423712.webp
veranderen
Het licht veranderde in groen.
muutma
Tuli muutus roheliseks.
cms/verbs-webp/73488967.webp
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
uurima
Verenäidiseid uuritakse selles laboris.
cms/verbs-webp/113842119.webp
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
mööduma
Keskaeg on möödunud.
cms/verbs-webp/34979195.webp
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
kokku tulema
On tore, kui kaks inimest kokku tulevad.
cms/verbs-webp/100965244.webp
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
alla vaatama
Ta vaatab alla orgu.
cms/verbs-webp/120220195.webp
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
müüma
Kauplejad müüvad palju kaupa.
cms/verbs-webp/93697965.webp
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
sõitma ümber
Autod sõidavad ringis.
cms/verbs-webp/87994643.webp
wandelen
De groep wandelde over een brug.
kõndima
Grupp kõndis üle silla.
cms/verbs-webp/99725221.webp
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
valetama
Mõnikord tuleb hädaolukorras valetada.
cms/verbs-webp/107852800.webp
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
vaatama
Ta vaatab binokliga.