Sõnavara

Õppige tegusõnu – hollandi

cms/verbs-webp/46602585.webp
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
transportima
Me transpordime jalgrattaid auto katuse peal.
cms/verbs-webp/18473806.webp
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
saama korda
Palun oota, saad kohe oma korda!
cms/verbs-webp/118011740.webp
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
ehitama
Lapsed ehitavad kõrget torni.
cms/verbs-webp/117953809.webp
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
taluma
Ta ei talu laulmist.
cms/verbs-webp/110401854.webp
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
majutust leidma
Leidsime majutuse odavas hotellis.
cms/verbs-webp/58993404.webp
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
koju minema
Ta läheb töö järel koju.
cms/verbs-webp/91930309.webp
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
importima
Me impordime vilju paljudest riikidest.
cms/verbs-webp/130814457.webp
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
lisama
Ta lisab kohvile natuke piima.
cms/verbs-webp/71883595.webp
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
eirama
Laps eirab oma ema sõnu.
cms/verbs-webp/100965244.webp
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
alla vaatama
Ta vaatab alla orgu.
cms/verbs-webp/109099922.webp
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
meelde tuletama
Arvuti tuletab mulle kohtumisi meelde.
cms/verbs-webp/84506870.webp
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
purju jääma
Ta jääb peaaegu iga õhtu purju.