Sõnavara
Õppige tegusõnu – hollandi
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
transportima
Me transpordime jalgrattaid auto katuse peal.
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
saama korda
Palun oota, saad kohe oma korda!
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
ehitama
Lapsed ehitavad kõrget torni.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
taluma
Ta ei talu laulmist.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
majutust leidma
Leidsime majutuse odavas hotellis.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
koju minema
Ta läheb töö järel koju.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
importima
Me impordime vilju paljudest riikidest.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
lisama
Ta lisab kohvile natuke piima.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
eirama
Laps eirab oma ema sõnu.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
alla vaatama
Ta vaatab alla orgu.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
meelde tuletama
Arvuti tuletab mulle kohtumisi meelde.