Vocabulari
Aprèn adjectius – neerlandès
zwak
de zwakke zieke
dèbil
la pacient dèbil
arm
een arme man
pobre
un home pobre
blauw
blauwe kerstballen
blau
boles d‘arbre de Nadal blaves
openbaar
openbare toiletten
públic
lavabos públics
paars
paarse lavendel
lilà
lavanda lilà
verlegen
een verlegen meisje
tímida
una noia tímida
tijdelijk
de tijdelijke parkeertijd
limitat
el temps d‘aparcament limitat
verschrikkelijk
de verschrikkelijke rekenoefening
terrible
els càlculs terribles
getrouwd
het pas getrouwde echtpaar
casat
la parella recentment casada
onvriendelijk
een onvriendelijke kerel
desagradable
un tipus desagradable
elektrisch
de elektrische bergbaan
elèctric
el ferrocarril elèctric de muntanya