Rječnik
Naučite glagole – nizozemski
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
ograničiti
Ograde ograničavaju našu slobodu.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
putovati
On voli putovati i vidio je mnoge zemlje.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
znati
Ona zna mnoge knjige gotovo napamet.
rennen
De atleet rent.
trčati
Sportista trči.
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
smanjiti
Štedite novac kada smanjite temperaturu prostorije.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
testirati
Auto se testira u radionici.
uitspringen
De vis springt uit het water.
iskočiti
Riba iskače iz vode.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
otkazati
Nažalost, otkazao je sastanak.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
konzumirati
Ona konzumira komadić kolača.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
čitati
Ne mogu čitati bez naočala.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
osjećati
Ona osjeća bebu u svom trbuhu.