denken
Ze moet altijd aan hem denken.
አስብ
ሁልጊዜ ስለ እሱ ማሰብ አለባት.
serveren
De ober serveert het eten.
አገልግሎት
አስተናጋጁ ምግቡን ያቀርባል.
drukken
Hij drukt op de knop.
ይጫኑ
አዝራሩን ይጫናል.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
መተው ይፈልጋሉ
ሆቴሏን መልቀቅ ትፈልጋለች።
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
ግፋ
መኪናው ቆሞ መግፋት ነበረበት።
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
ወደ ጎን ተወው
በኋላ ላይ በየወሩ የተወሰነ ገንዘብ መመደብ እፈልጋለሁ።
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
ቀለበት
ደወሉ በየቀኑ ይደውላል.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
ዋና
በመደበኛነት ትዋኛለች።
binnenkomen
Kom binnen!
ግባ
ግባ!
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
መራመድ
ይህ መንገድ መሄድ የለበትም.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
መመለስ
መምህሩ ድርሰቶቹን ለተማሪዎቹ ይመልሳል።
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
እንደገና ተመልከት
በመጨረሻ እንደገና ይገናኛሉ።