คำศัพท์
เรียนรู้คำกริยา – ดัตช์
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
พิมพ์
สำนักพิมพ์ได้พิมพ์หนังสือหลายเล่ม
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
ตอบ
นักเรียนตอบคำถาม
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
เจอ
พวกเขาเจอกันอีกครั้ง
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
ถูกขับ
น่าเสียดายมากว่าสัตว์มากถูกขับโดยรถยนต์
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
ตั้ง
เร็วๆ นี้เราจะต้องตั้งนาฬิกากลับไปอีก
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
เยี่ยมชม
แพทย์เยี่ยมชมผู้ป่วยทุกวัน
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
เผา
เนื้อไม่ควรถูกเผาบนกริล
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
เกิดกับ
มีสิ่งใดเกิดขึ้นกับเขาในอุบัติเหตุที่ทำงาน?
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
ทำความสะอาด
เธอทำความสะอาดห้องครัว
op handen zijn
Een ramp is op handen.
กำลังจะเกิดขึ้น
ภัยพิบัติกำลังจะเกิดขึ้น
eten
Wat willen we vandaag eten?
กิน
เราจะกินอะไรวันนี้?