Лексика
Изучите глаголы – нидерландский
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
превосходить
Киты превосходят всех животных по весу.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
смотреть вниз
Я мог смотреть на пляж из окна.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
оставлять
Она оставила мне кусок пиццы.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
оставлять
Хозяева оставляют своих собак мне на прогулку.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
участвовать
Он участвует в гонке.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
собирать
Нам нужно собрать все яблоки.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
сортировать
У меня еще много бумаг для сортировки.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
идти
Куда вы оба идете?
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
заниматься
Она занимается необычной профессией.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
пропустить
Она пропустила важную встречу.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
убегать
Все убежали от пожара.